‘Zo, ben je daar weer?’
Een retorische vraag, de twee vrouwen treffen elkaar iedere ochtend op de waterbus. De ene vrouw is een jaar of achtenveertig, lang en dun, met haar dat ooit donkerbruin was maar nu peper-en-zoutkleurig. De andere, mollige vrouw is jonger en draagt het uniform van de waterbus dat eigenlijk is ontworpen voor mannen en voor langere mensen dan zij.
‘Ja, weer lekker gewerkt.’
De lange vrouw lacht hard en uitbundig, als een vrouw die het leven één hilarische grap vindt, maar haar ogen lachen niet mee.
‘Nieuwe manager, nou dan weet je het wel’, zegt ze, met weer die harde lach.
‘Je zou toch zeggen dat ik na achtentwintig jaar wel weet hoe ik de lunch moet voorbereiden in de kantine, maar nee, zo’n man weet het natuurlijk beter. Dat het een man is, vind ik sowieso al apart, want wat weet een man nou van eten klaarmaken? Opeten, dat kunnen ze, maar klaarmaken?’
Ze lacht erbij alsof ze een grapje maakt.
‘Net als die man van mij, eten kan die als de beste, maar hij kan nog geen ei koken. Nou heb ik dat ook liever niet, want als hij in de keuken iets heeft gedaan, kun je de muren opnieuw sausen. Nee, die hou ik uit de keuken, want dat sausen kan ik dan natuurlijk ook zelf doen. Ik ben natuurlijk aan die man gewend na drieëntwintig jaar, maar in een volgend leven neem ik er eentje met een paar rechterhanden.’
Haar lach draagt ver over het water.
De mollige vrouw gaat de vervoersbewijzen controleren, de lange vrouw blijft alleen achter, haar mondhoeken zakken omlaag. Ik haat hem, denkt ze, ik haat ze allemaal: mijn man, mijn vader, mijn collega van vijfentwintig, de zeikende buurman, allemaal. Ze voelt de pijn en de teleurstelling over wat het leven haar heeft gebracht. Haar huwelijk met de man met twee linkerhanden, na haar autoritaire vader had ze een zachtere man gewild, haar ongewenste kinderloosheid, haar werkgever die haar nooit de kansen gaf die ze zo graag wilde. Ze had zich aangeleerd om alles weg te lachen. Ze is altijd zo opgewekt en staat voor iedereen klaar, zeiden mensen. Hen haatte ze ook, de mensen die niet verder keken dan de buitenkant, de schone schijn. Eigenlijk haatte ze het hele leven, zichzelf incluis. Ze veegt een traan van haar wang.
‘Winderig, hè?’ zegt de mollige vrouw die net langsloopt.
Eenmaal van de boot af is ze ook bijna thuis. Bij de voordeur ziet ze door het zijraam haar man in de keuken staan. Wat doet die nou weer, denkt ze geïrriteerd.
‘Hallo liefje, ik heb een appeltaart gebakken, met hulp van een YouTube-filmpje.’ Hij glimlacht. ‘We zijn vandaag vierentwintig jaar getrouwd.’
Hij kijkt haar aan met ogen vol liefde. Ze voelt de warmte terugvloeien in haar aderen, haar hart in.
‘Wat lief!’ zegt ze, terwijl ze haar armen om hem heen slaat. Ze zou de taart, hoe die ook zou smaken, opeten en van iedere hap genieten.



