‘Ik ben pissed.’
‘Oh, waarom dan?’
‘Ik kreeg van een vriendin een boek over slow living, leven in het nu en een cadeaubon voor botox. “Ik wilde je even verwennen,” zei ze, “want je doet zo stressy, en dat tekent je.”
Stressy, wat al een achterlijk woord is, net als slow living trouwens.
Ja, ik ben stressy en dat is niet heel raar als een alleenstaande moeder met drie pubers van dertien, vijftien en zeventien. Ik hou van ze, maar jemig, die gasten zijn niet te harden. Niks mee te beginnen. Hun telefoon is aan ze vastgegroeid, ze krijgen een paniekaanval als hij even weggelegd moet worden als we gaan eten, daarom schrokken ze alles naar binnen. Ze zweren op TikTok zoals dat vroeger gebeurde op de bijbel, influencers hebben meer invloed op hen dan jij.
Ik brand elke dag een kaarsje dat ze niet aangestoken worden door het inferieure gedachtegoed van een of andere macholul met een groot ego.
Ook ergonomisch sporen ze niet: ze liggen op stoelen, hangen over tafels of in deurposten waar jij doorheen wilt. Pas vond ik de oudste met zijn hoofd op de ijskast, moe geworden toen hij een drankje ging pakken.
Het intense telefoongebruik heeft hun hersencapaciteit doen slinken, ze begonnen op het gymnasium maar op rij zakken ze gebroederlijk met z’n drieën af naar vmbo-niveau. Ze hebben een voorkeur voor het cijfer vijf, met vermoedelijk door toeval soms als uitschieter een zeven.
En die lul van een ex vergeet systematisch om de kinderalimentatie te betalen en elk weekend dat ze naar hém zouden gaan geeft hij niet thuis. De zak. Hoe heb ik ooit kunnen denken dat die vent a) een geschikte partner was en b) een geschikte vader. Beide scoren 0.
Dus waar mijn leven op neerkomt is een soort permanent gevecht: met lul om geld en om die gasten eens een weekendje weg te krijgen zodat ik even kan chillen, lees: twee keer vierentwintig uur op de bank liggen met roze koeken en chips.
Het gevecht met de pubers draait erom ze én in leven te houden, want ze hebben ook alle soorten drugs wel een keer door hun handen laten gaan, die van vijftien had een soa, godbetert, én om in ieder geval te probéren er op termijn een soort acceptabele mensen van te maken.
Goed, dat is mijn bestaan, ik zet dapper door, alles gaat een keer voorbij, dat is mijn mantra.
Nog vijf jaar, dan is de jongste achttien, dan mogen ze het helemaal zelf uitzoeken. Ik kijk al naar kamers, want het zal mij niet gebeuren dat ze hier op hun achtentwintigste nog in de vensterbank hangen.
Op weg naar de eindstreep is iedere morele support welkom. Dan kom je dus niet met zo’n schijtboek. Die vriendin heeft geen kinderen, een vent die jaarlijks iets met zes nullen verdient. Zij doet iets onbegrijpelijks met kunst waar niemand op zit te wachten, in haar atelier in haar tweehonderdvijftig vierkante meter grote penthouse. Ze gaat drie keer per week naar yoga, laat haar nagels wekelijks doen en heeft al zoveel botox gehad dat ze niet meer lijkt op de foto in haar paspoort.
Allemaal lekker zelf weten hoor, maar bemoei je lekker met je eigen. Slow living, jemig, uit welk parallel universum kom je dan?
Dus slow living aan mijn reet, aan de reet van de gasten, want ik heb de bladzijden uit het boek gescheurd om te gebruiken als pleepapier, merken ze toch niet.
En die botoxbon heb ik verscheurd, die was van karton, dat werkt niet in de plee.
Flikker toch op. Had een grootverpakking roze koeken voor me gekocht.’



