De man, een zestiger, komt aanlopen in een blauwe sweater waar met grote, rode letters
Superopa op staat. De trui oogt nieuw en is te groot. De mouwen vallen over zijn polsen, de hals staat open en hij is te lang, zeker voor hem, een niet al te grote, mollige man.
‘Zo, nieuwe trui?’ Die vraag wordt hem gesteld door de enige andere gast op het verder nog lege terras. De licht spottende toon ontgaat de drager van de trui, daar is hij te goeiig voor.
‘Ja, ik kreeg hem van mijn kleinkinderen voor mijn verjaardag, dat is vandaag maar we vierden het gisteren.’
‘Hij valt ruim’, zegt de andere man kritisch.
‘Ja, hij is een beetje groot maar ach.’ De goeiige man glimlacht toegeeflijk.
De andere man kijkt of er een vlieg in zijn koffie drijft. Aan hém is alles strak, van zijn met militaire precisie achterovergekamde haar, de kaarsrechte vouw in zijn broek, zijn smetteloze, hagelwitte overhemd tot zijn glanzend gepoetste schoenen, alles ademt orde en netheid.
‘Mij zul je niet zien in zo’n trui.’
‘Geen kinderen?’
‘Zes en drie exen.’
De man met de trui kijkt even geïmponeerd opzij.
‘Bij mijn eerste ex heb ik twee kinderen, een meisje en een jongen’, gaat de man verder.
‘Toen ik trouwde wilde ik een geregeld huishouden en een warm bed. Maar dan willen ze kinderen. Ik wilde een jongen maar de eerste was een meisje dus dat was pech. De tweede was wél een jongen maar daar had ik ook pech mee. Hij ontwikkelde zich tot zo’n jankerd die altijd onder het snot zat en op school gepest werd. Zijn intelligentie had hij van zijn moeder, dus dat waren constant vijf plusjes en zes minnetjes. Ik zei tegen die vrouw: “Maak eens een man van dat kind, anders doe ík het.” Nou, ze bakte er weinig van dus het werd mijn aanpak. Dat hielp niet en na vijftien jaar gedonder flikkerde ik dat joch het huis uit en die vrouw erachteraan. Hij loopt nu nog langs de straat.
De tweede ex kreeg ook twee kinderen, weer meisjes. De chaos en het kabaal die dat opleverde, geven me nog de rillingen. Het huis was één groot Barbiepaleis waarin die meiden zaten te gillen, aan elkaars haren trokken en om aandacht vroegen, dag in dag uit. Hún moeder bakte er ook niks van. Alleen maar janken als ik zei dat ze er wat aan moest doen. Dus ik moest wéér ingrijpen, maar ja, het hielp weer niet. Ik vertrok toen ze zeven en negen waren. Zij hertrouwde met de fles en ondertussen weet ze al jaren niet meer wat haar voor- of achterkant is. En die meiden stoppen elke dag hun neus vol om maar niet aan het leven te hoeven beginnen. Dat is dan mijn familie.’
De man met de trui tuurt strak naar zijn lege glas.
‘De derde ex heeft zichzelf, al kettingrokend, aan een vroegtijdig einde geholpen. Maar tijdens haar leven maakte ze er ook al een potje van. Toen ik haar tegenkwam dacht ik, goed, ik geef het fenomeen gezin nog één kans. Het werden wéér twee meiden. Goed, daar kon ze niks aan doen maar het werd opnieuw niks. Maar het patroon van janken en chaos had ik wel veel sneller in de gaten, je leert tenslotte bij nietwaar? Dus ik vertrok toen ze één en twee waren.
Toen was ik er wel klaar mee.
Voortschrijdend inzicht heeft me wel doen inzien dat mijn aanpak misschien niet altijd effectief was. Goed, dat zie ik nu. En die vrouwen heb ik waarschijnlijk te veel op hun huid gezeten, dat zie ik ook. Maar weet je, eigenlijk interesseert het me geen donder.
Het hele punt is: ze irriteerden me toen en ze irriteren me nog steeds, het hele stel. En het heeft me nog een hoop poen gekost ook, want ik moest ze allemaal alimentatie betalen. Achteraf bezien had ik er nooit aan moeten beginnen. Maar ja, dat is een koe in zijn kont kijken nietwaar?
Dus zo’n trui met Superopa zit er niet in want zij moeten mij ook niet. Goddank, denk ik dan, want anders begint dat gedonder met die kinderen weer van voor af aan. Nee hoor, ik pas. Ik heb mijn best gedaan.
Nog een glas? Het is je verjaardag tenslotte.’



