‘Ik word gehaat maar ik ben er trots op.’
De man kijkt een beetje triomfantelijk naar zijn gezelschap, een even middelbare man als hijzelf. ‘Ik zou mezelf als authentiek omschrijven, in hoge mate authentiek.’
Voor hij verder gaat met zijn zwanenzang, bekijkt hij zijn vlezige gezicht in de lepel die hij aan het oppoetsen is in de lunchroom waar ze zitten.
‘Mijn vrouw vond dat ik een hobby moest nemen toen ik thuis kwam te zitten na mijn pensionering. Ik ben geen postzegelman of een lezer, sporten doe ik niet en met film of theater doe je me ook geen plezier. Maar ik hou wel van eten.’
Hij strijkt over zijn buik, waar de knoopjes van zijn overhemd op gespannen voet staan met de panden die ze bij elkaar moeten houden.
‘Je ziet het hè, maar ik zie die buik meer als trofee, als een gedenkteken voor een levensgenieter pur sang.’
De andere man kijkt naar de trofee en denkt er het zijne van.
‘Naast eten schrijf ik niet onverdienstelijk, dat heb ik wel geleerd door de rapportages die ik schreef voor de Milieudienst. Ik heb die twee zaken samengevoegd tot een hobby. Sinds een maand of vijf ga ik meerdere keren per week naar een restaurant. De focus leg ik op ontbijt en lunch. Ik kies willekeurig waar ik naartoe ga en schrijf op wat ik ervan vind, een review, want alles moet tegenwoordig in het Engels worden uitgedrukt. Maar goed, ik beoordeel niet alleen iedere hap, maar ook het servies, het bestek, de aankleding, de service, het personeel, de stoelen, het toilet enzovoort.
Nou, ik kan je een ding vertellen: als je oog voor detail hebt zoals ik, dan zie je pas wat voor een aanfluiting de horeca is. Is er wel voldoende liefde, vraag ik me af.
Neem dit bierglas, het voetje heeft blijkbaar een ongelukje gehad, daar is een stukje uit, ja, je moet goed kijken, zonder bril zou het me niet opvallen, maar stuk is stuk. Als eigenaar moet je direct het personeel aanspreken op hun gebrek aan oog voor detail. Daar is hier duidelijk geen sprake van, dat noteer ik vast even.’
Hij pakt zijn rode notitieboekje erbij.
‘Kijk eens goed naar je lunch, lekkere kroketten, denk je dan, maar die garnering! Het konijn van de buren zou er nog voor bedanken. En die boterhammen zijn niet van een ambachtelijke bakker, maar uit een voorverpakt middenmootje uit de super. Roomboter zie ik niet, en de kroketten zelf zou ik als zéér knapperig omschrijven. Het tafellaken mag die naam eigenlijk niet hebben, gewoon een wit lappie stof van de markt van drie euro de meter, dat zijn moeder voor hem heeft omgezoomd. En kijk eens om je heen, zie je wat ik zie?’
Maar de andere man heeft alleen oog voor zijn zéér krokante kroket.
‘Die schilderijtjes, als ik de stilleventjes van Marktplaats al zo moet noemen, hangen allemaal uit het lood en niet op de goede afstand van elkaar. Dat maakt een zaak armoedig, begrijp je. Oog voor detail is echt een talent.’
Hij kijkt weer zo triomfantelijk.
‘Pas was ik in een tent; daar maakten ze het helemaal bont. Brunch serveerden ze, dus ik kwam om een uur of tien aan. Toen zeiden ze dat de brunch vanaf elf uur was. Goed, misverstand, ik heb met een laf bakje koffie op het terras gewacht tot het tijd was, dus dat voorspelde al weinig goeds. En dat kwam uit, de stoelen misten ieder comfort, van die hippe houten krengen van de Kwantum of een andere prutzaak. En wat er op tafel kwam! Onbegrijpelijk, krokante gebakken broccoli om elf uur ‘s morgens, je verzint het toch niet! Pancakes zo dik als een deurmat, een groen drankje dat niet te hachelen was…’
‘Matcha, da’s nieuw, lekker, en heel gezond.’
‘Nou, smaken verschillen, ik heb het teruggestuurd en gevraagd of ze misschien in staat waren om een goede kop koffie te zetten, bij voorkeur niet uit zo’n apparaat. Ik ging ondertussen even naar het toilet, en wat zie ik daar? Een apparaat waar je warme handdoekjes uithaalt, formaat zakdoek waar niks mee te beginnen is, pure verspilling. Ik zei tegen die manager: “Is de globale opwarming van de aarde jullie ontgaan ofzo?’’’’
‘Global, het is Engels.’
‘Je snapt wat ik bedoel,’ zegt de reviewer met iets van irritatie in zijn blik.
‘Maar nou komt het mooiste, ik moest om drie uur vertrekken, want ze gingen de tafels opruimen en voorbereiden voor de avond. Is mijn geld van suiker ofzo? En ik had nog twee uur te gaan ook.’
‘Nog twee uur te gaan?’
‘Mijn vrouw laat me door de week om vijf uur weer binnen. Ze wil graag wat tijd voor zichzelf, dat snap ik. Na veertig jaar het rijk alleen te hebben gehad, wil je niet zo’n man de hele dag voor je voeten.’ ‘Mijn vrouw vindt het gezellig nu ik thuis ben.’
‘Iedere relatie is anders’, probeert de man nog, maar zijn stem is dunner.
Als hij de zaak verlaat is de triomfantelijkheid van hem afgegleden als boter van een warm mes. Hij kijkt op zijn horloge, kwart over twee.



