Ze gruwde alleen al van het woord, crematie. Barbaren verbranden hun doden, fatsoenlijke mensen doen dat niet, die begráven hun doden.
Haar zoon had gezegd dat het haar zaken niet waren, dat iedereen zelf mocht beslissen wat hij met zijn lichaam deed na zijn of haar overlijden.
En dat dat ook voor het leven gold. Het was niet aan haar om te bepalen hoe mensen moesten leven. Maar ja haar zoon, ze snoof, zijn leven was haar ook een gruwel.
Ze had zich vaak beklaagd over hem en tegen hem. ‘Andere moeders hebben normale kinderen, waarom ben jij dat niet…’ zei ze dan.
‘Ik ben normaal maar jij vindt mij niet normaal, dat zijn twee heel verschillende dingen’, had hij gezegd toen hij oud genoeg was om haar van repliek te dienen.
Larie had ze dat gevonden.
In zijn puberteit was er veel ruzie geweest maar hij had zich niks van haar aangetrokken.
Eenmaal volwassen had hij eerst nog contact met haar gehouden. Hij zocht haar op, bracht cadeautjes mee, nodigde haar uit in zijn huis.
Maar haar teleurstelling in hem stond tussen hen in en nam steeds meer ruimte in. Totdat die te groot werd om er nog langs te kijken. Hij kwam minder vaak langs, belde minder vaak en stuurde uiteindelijk alleen nog met kerst en met haar verjaardag een kaart.
En nu was hij dood, zevenenvijftig, zijn partner had haar vorige week gebeld om het te vertellen.
De crematie was vandaag om drie uur. Ze keek op de klok, tien over half drie, nog twintig minuten.
Hij had haar een half jaar eerder gebeld om te vertellen dat hij terminaal ziek was, ze had hem toen gezegd dat ze hem vergaf. Hij vroeg: ‘Waarvoor?’ Daarna was het stil gebleven, tot zijn partner belde.
Nog tien minuten zag ze…
Ze had de kaarten opgezocht die hij haar elk jaar gestuurd had. Afzender je zoon, Lex. Zo’n veertig kerstkaarten en veertig verjaardagskaarten. Hij was jong uit huis gegaan.
Nog vijf minuten. Ze luisterde hoe de tijd verstreek.
Nog vier, nog drie, nog twee, nog één…
De traan rolde op de kaarten.
Ze veegde hem er af, deed het elastiek weer om de kaarten en borg ze op. In de spiegel boven de kast zag ze een oude vrouw, met een bleek gezicht, zonder lachrimpeltjes, mét diepe verticale lijnen die langs haar mondhoeken in haar nek verdwenen. Ze rechtte haar rug.
Drie uur, tijd voor thee…



