Mijn vader en moeder kwamen uit Rijssen, bij Markelo, uit een streng christelijk milieu, later verhuisden ze naar Voorburg. We waren met zeven kinderen, en ik was de oudste. Op zondag gingen we altijd met zijn allen naar de kerk, dat was ook uiterlijk vertoon om te laten zien dat we het ‘goed deden’ als gezin.
Mijn vader had een grote boekenwinkel in de Herenstraat in Voorburg. Op een dag kwam er een jongen, Mees, solliciteren, maar hij had een snor. Mijn vader wilde geen bediende met een snor, dus Mees moest maar kiezen. Hij schoor de snor af en kwam in de winkel werken. Ik werkte daar ook en we raakten al snel aan de praat. En werden verliefd.
Maar mijn vader had me, via de Rotaryclub, aangemeld voor een uitwisselingsprogramma. Ik zou een jaar naar Duitsland gaan. Ik had niks verteld over Mees. Eenmaal in Duitsland kreeg ik een blindedarmontsteking en belandde in het ziekenhuis. Mijn ouders zochten me om de dag op. Tijdens een van hun bezoeken vond mijn vader de foto en een briefje van Mees onder mijn kussen. Hij vond me maar jong voor verkering, terwijl ik toch al twintig was. Hij heeft me, toen ik uit het ziekenhuis mocht, weer meegenomen naar Nederland, terug naar Mees. Die stond dezelfde avond op de stoep met een enorme bos bloemen en een kaart vol kusjes. Mijn ouders vonden dat veel te frivool.
Mees heeft officieel gevraagd of ik ‘met hem wilde lopen’. Ik zei dat ik er eerst goed over moest nadenken en met mijn ouders moest overleggen. Mijn vader wilde voor mij een man uit een zakennest; gelukkig hadden de ouders van Mees een schildersbedrijf. Maar Mees moest wel beloven dat ik in de toekomst financieel op dezelfde voet kon leven als thuis. De relatie werd goedgekeurd en ik was blij en verliefd. Ik sliep in het torenkamertje van ons huis. Als Mees langsfietste, stak ik mijn hand uit het raam. Ik had er met Oost-Indische inkt ‘Ik hou van je’ op geschreven.
Ondertussen werkte ik alleen in de winkel als Mees niet werkte. Dat wilden mijn ouders zo. Ik ging mijn moeder helpen met het huishouden. Dat ging gewoon zo. Ik mocht niet zo veel: de bioscoop was heidens, alleen in de tram als meisje mocht niet; dansen in de jeugdsociëteit van de kerk mocht wel, maar ik werd gehaald en gebracht. Wat we wel samen mochten was op vrijdagavond bijbelles geven op de zondagsschool, en dat hebben we jaren gedaan.
Als Mees bij ons op bezoek was geweest namen we afscheid bij de voordeur. Mijn moeder liep constant door de gang om te controleren of er niks ongepasts zou gebeuren. Op een avond was onze kat Mickey zoek. Van mijn moeder moest ik hem, samen met Mees, gaan zoeken in het park. We kregen wel de opdracht om snel terug te zijn. En dat deden we niet snel genoeg: ik kreeg straf, geen eten die avond, en Mees mocht ik een week niet zien.
Mees moest na een tijdje in militaire dienst. Als ik post van hem kreeg, stond er op de plek van de postzegel ‘militair te velde’; hij kon brieven gratis versturen. Ik vroeg mijn vader altijd of hij postzegels meenam uit de winkel, zodat ik terug kon schrijven. Die waren ook gratis, dacht ik.
We hebben vijf jaar verkering gehad en zijn vijf jaar verloofd geweest voordat we trouwden. We wilden wel eerder trouwen, maar elke keer als Mees mijn vader om toestemming vroeg, was mijn vaders vraag: wat staat er op je spaarbankboekje? Hij vond het jarenlang te weinig. En ik had geen cent: ik werd nooit betaald voor mijn werk in huis of in de winkel. Op mijn dertigste, in 1973, konden we eindelijk trouwen.
Vlak voor ons trouwen mochten we op vakantie, naar Limburg. Via de NCRV, de Nederlandse Christelijke Reis Vereniging, en met twee aparte slaapkamers. Mijn vader belde het hotel op om dat te controleren. We liepen in Maastricht toen ik een drogisterij zag met ballonnen in de etalage. ‘Sinds wanneer verkoopt een drogisterij ballonnen?’ vroeg ik. Mees moest lachen. ‘Weet je niet wat dat zijn?’ Ik was nooit voorgelicht, was echt bleu en ben als maagd het huwelijk ingegaan. We trouwden in de Oude Kerk in Voorburg.
Na ons trouwen zijn we op een gegeven moment verhuisd naar Amsterdam. Een heerlijke stad, maar nogal vrij. Ik liep eens met mijn twee kinderen in het Vondelpark, waar de hippies in het gras lagen. Eén van hen kwam naar me toe en zei, wijzend naar de kinderwagen: ‘Wij liggen te doen wat jij ook gedaan hebt.’ Ik ben een tijdlang niet meer in het Vondelpark geweest, uit schaamte. Na mijn trouwen mocht ik niet meer werken. Een vrouw hoort achter het aanrecht, zei mijn schoonvader; mijn eigen vader vond dat ook.
Na drieëntwintig jaar huwelijk, in 1996, ging Mees bij me weg. Hij wilde met een man samenleven. Ik heb alle foto’s, de brieven met de kusjes erop, zelfs zijn paspoort, in de open haard gegooid. Ik was zo boos en verdrietig. Hij wist zelf allang dat hij homo was, maar van zijn moeder moest hij met een vrouw trouwen. Toen zij overleed, ging hij bij me weg. Zijn moeder wist het, de dominee die ons getrouwd had wist het, en misschien heb ik het ook wel aangevoeld. Als er een man in uniform langsliep, werd Mees helemaal hoteldebotel. Maar er werd nooit over gepraat, dus je weet het niet zeker en je wilt het ook niet weten. We zijn uiteindelijk vrienden geworden. Het woordje haat ken ik niet.
Tweeënhalf jaar heb ik alleen geleefd. Toen kreeg ik weer verkering, met Jan; ik was drieënvijftig. Mijn vader vond het niks, want Jan was de zoon van een mijnwerker. Niet iemand met een eigen zaak. Hij vroeg zich opnieuw af of mijn aanstaande wel aan zijn financiële normen voldeed. We zijn tweeëntwintig jaar getrouwd geweest tot Jans overlijden in 2011.
Ik kijk met liefde terug op de jaren met Mees en op die met Jan, ondanks het verdriet. Ik heb een fijn leven gehad. Ook een fijne jeugd, al waren mijn ouders nog zo streng. Ik snap dat dat moeilijk voor te stellen is, maar toch was het zo.



