Selma (1940)

Op mijn achttiende werd ik lid van de Nederlandse Jeugdherberg Centrale. Met een vriendengroep gingen we daar in de weekenden heen. Op een avond gingen we wandelen over het Kaageiland en moest ik over een hekje klimmen. Nou ben ik mijn hele leven een stijve tut geweest, dus ik viel. Wim, ook lid, verzorgde mijn been. Dat was onze eerste kennismaking.
Het duurde even voor het echt iets werd. Ik werkte toen op het postkantoor, bij de lokettendienst. Op een dag kwam hij geld voor zijn baas storten. ‘Zit jij hier?’ zei hij verbaasd en vroeg of ik ’s avonds naar vrienden van hem kwam waar hij ging babysitten. ‘Er komen nog een paar mensen’, zei hij, maar hij was daar natuurlijk alleen.
Wim werkte als vrachtwagenchauffeur, zwaar werk. Er was geen tillift, geen laadklep die naar beneden ging. En die baas nam alles maar aan, of het nou zwaar was of niet. De druppel was toen Wim geen vrij kreeg op zaterdag om naar een bestuursvergadering te gaan van de NJC waar hij in zat. Die baas zei: ‘Nee, die wagen moet leeg.’ Wim keek, net als zijn ouders, nog een beetje op tegen bazen. Ik niet, nooit gedaan. Dus ik ging naar zijn baas en zei: ‘Maandag komt Wim niet meer.’

Mijn moeder was een Weense, als elfjarig meisje kwam ze in 1921 naar Nederland, als bleekneusje. Kinderen die de Eerste Wereldoorlog hadden meegemaakt waren helemaal uitgemergeld en kwamen aansterken in Nederland. Haar eerste pleeggezin deed het alleen voor het geld, ze gaven haar het brood dat de buren voor de konijnen brachten. Gelukkig was er een gezin verderop in de straat dat voor haar ging zorgen. Na een halfjaar moest ze terug, maar in 1927 is ze definitief naar Nederland gekomen. Haar tweede gezin was ‘rood’, dus belandde mijn moeder bij de Arbeiders Jeugd Centrale waar ze later mijn vader ontmoette. Hij was een politiek vluchteling uit Duitsland. In 1933 vluchtte hij voor Hitler. Hij kwam ook naar de AJC, in Vierhouten, op de Paasheuvel.
In 1939 trouwden ze, dan hoefde mijn vader niet in dienst in Duitsland, dachten ze. Maar begin ’42 moest hij toch het leger in, waar hij in 1945 sneuvelde. Mijn moeder kreeg via vrienden van de AJC een kostganger in huis, dat werd mijn tweede vader. Een goed huwelijk was het niet, ze hadden veel ruzie en na achttien jaar zijn ze gescheiden.
Mijn moeder heeft veel meegemaakt en dat maakte haar moeilijk in de omgang. Zo vond ze Wim te min, een vrachtwagenchauffeur, ze liet hem gewoon niet binnen. Hij liet zich er niet door weerhouden. Elke avond om half elf ging ik de hond uitlaten, en een halfjaar lang deden we dat stiekem samen. Op een gegeven moment heeft mijn moeder mijn tweede vader achter ons aangestuurd. ‘Ga eens kijken, want volgens mij is die knul er ook.’ Mijn vader kwam terug en zei: ‘Nee hoor, hij was er helemaal niet.’
Op mijn twintigste verjaardag ging de knop om bij mijn moeder. Ze vroeg wat ik wilde met mijn verjaardag. Ik zei: ‘Niks, zonder Wim hoeft het niet.’ En toen zei ze opeens: ‘Nou, ga hem dan maar halen.’ Wim wilde niet op bevel op komen draven maar zijn jongere zusje zei dat hij de kans moest grijpen en is met hem meegegaan.

In december 1961 zijn we verloofd. Op Valentijnsdag 1962 zijn we in ondertrouw gegaan. En op
6 september 1962 zijn we getrouwd. De eerste anderhalf jaar hebben we ingewoond bij de ouders van Wim. Maar ze wilden niet dat er een baby bij kwam. Zijn moeder had de instelling dat je alleen met iemand naar bed ging als je een kind wilde, dus dat leek haar te regelen. Maar wij dachten daar anders over, dus ging Wim op vrijdagavond voorbehoedsmiddelen halen bij de NVSH.
Er is een verhaal van lang daarvoor. Ik moest eens met mijn zusje wandelen van mijn moeder toen ik een doosje zag liggen op straat. Ik dacht dat er ballonnen in zaten, blies er één op en bond hem aan de kinderwagen. De hele middag bleek ik met een opgeblazen condoom te hebben rondgelopen!
Wim en ik hadden de liefde al eerder gevierd, al in onze verkeringstijd, in het bed van zijn ouders. Op zondag gingen zijn ouders wandelen en doken wij in hun bed. Tien minuten later ging de voordeur open. Zijn vader was zijn hoed vergeten. Ik bleef gewoon liggen. Zijn vader kwam naar boven: ‘Oh, zijn jullie hier?’ En: ‘Ik ben mijn hoed vergeten.’ En: ‘Ik heb niks gezien, hoor.’
Na anderhalf jaar inwonen vonden we een etage die we hebben weten te huren. Ik ben blijven werken na ons trouwen, dat mocht. Maar toen ik in 1966 zwanger werd, moest ik stoppen van mijn werkgever. We kregen een zoon en een dochter en woonden jaren in een vierkamerwoning in Den Haag op de derde etage, zonder lift.
Zolang je jong bent merk je dat niet zo, maar toen Wim tegen de zeventig liep was dat geen doen meer. In 2003 zijn we naar Zoetermeer verhuisd, naar woon-zorgcomplex Albrandswaard, waar Wim in 2020 is overleden. Vaatvernauwing, met veel complicaties. Het was voor hem een zegen, hij had veel pijn. Ik zag het aankomen en kon ermee omgaan.
Ik woon hier nu bijna zes jaar alleen, dat was natuurlijk wennen maar het gaat me goed af, daar ben ik blij om.

Lies (1942)

Wil je met me lopen? Zoetermeer
‘Lies, ze bouwen studentenflats en aan de kopse kant zijn appartementen voor gehuwden. Zal ik me inschrijven? Want als we…
Lees meer

Marga de Waard

Mijn naam is Marga de Waard en schrijven is mijn grote liefde. Sinds 2020 ben ik storyteller. Daarvoor werkte ik als sociaal werker, bij het COA, in de jeugdhulpverlening en bij de reclassering. Veel ontmoetingen en veel verhalen om door te geven.
En dat is wat ik nu doe, persoonlijke verhalen vastleggen om een gezicht te geven aan de mensen achter een maatschappelijke vraagstuk. Ik werk in opdracht én ontwikkel zelfstandig thematische projecten waarvoor ik fondsen werf. De verhalen bereiken het publiek via exposities, magazines en publicaties.