Wout (1936) en Loes (1942)

We woonden allebei in hetzelfde kleine dorp, Gilze, in Brabant. En toch hadden we elkaar nog nooit ontmoet. Ik denk dat het komt omdat Wout vijf jaar ouder is dan ik. We kregen oog voor elkaar op een dansavondje in het dorp. Ik was daarnaartoe gegaan met mijn vriendin Jeanne, Wout was er met zijn vriend Piet. Op een gegeven moment zei Jeanne dat ze naar huis ging, want Piet zou haar thuisbrengen en ze vond Piet leuk. Wout zei toen tegen mij: ‘Nou, dan breng ik jou wel thuis.’
De andere dag stond Wout samen met Piet bij een café op Jeanne te wachten. Toen ze aankwam, vroeg Wout: ‘Waar is Loes?’ en stuurde haar terug om mij te gaan halen. Vanaf toen kregen we zo’n beetje verkering. Ik was achttien en Wout vierentwintig.
Wout zat in een vriendengroep van een man of zes. Die wilden me allemaal wel thuisbrengen, dat vond ik wel leuk, maar hij had de meeste aantrekkingskracht voor me. Ik hield van zijn uitstraling. Hij was een beetje wijzer omdat hij wat ouder was, en hij was een klein mannetje, dat vond ik ook leuk, want ik ben zelf ook klein. Het paste gewoon goed.
Wout ging na zijn diensttijd in Den Haag werken omdat er in Gilze en omgeving helemaal geen werk was. Hij is toen bij de Postcheque en Girodienst terechtgekomen. In de weekenden kwam hij terug naar Gilze, meestal vrijdagavond al, want bij de post hoefde je op zaterdag niet te werken. Ik ging hem elke vrijdag van de trein halen, maar deed net of ik de hond ging uitlaten. Hem ophalen wilde ik zo graag, ik was echt verliefd, dat voelde ik wel.
Tijdens onze verkeringstijd werkte ik in Tilburg, in een fabriek waar ze broeken voor kelners maakten. We zaten met een stuk of twintig meiden aan de lopende band. Iedereen had zo zijn eigen taak. Die broeken hadden een hoge band, die moest ik doorstikken. Als alles netjes in elkaar zat, werden ze geperst, in dozen gedaan en op transport gezet om naar de winkels te worden gebracht. Ik vond dat werk wel fijn. Daarvoor had ik bij een zus van mijn moeder gewerkt. Die had een bakkerij in Dorst waar ze brood en gebak maakten. Maar na een jaar of twee wilde ik wel iets anders. Mijn vader vroeg me wat ik dan wilde doen, maar dat wist ik helemaal niet. In ieder geval niet in een winkel, dat was niks voor mij. Hij heeft me toen aangemeld voor dat werk in de fabriek in Tilburg, ik bleef daar tot ons trouwen.
In het weekend gingen we samen overal naartoe, naar feestjes, ergens dansen. En we vierden het jaarlijkse carnaval natuurlijk, al was dat nog niet zo groots opgezet als nu, maar het hele dorp deed wel mee.
We komen allebei uit een katholiek nest, dat was op zich niet benauwend, ze waren niet superstreng. Maar dingen als samen op vakantie gaan hadden mijn ouders liever niet. De eerste keer dat we samen weg mochten was naar Wassenaar, op bezoek bij een tante. We gingen op de motor en zouden bij haar thuis overnachten. Die tante bleek niet genoeg bedden te hebben, maar samen slapen mocht natuurlijk niet. Ik heb toen in de badkuip geslapen. Ze had een matrasje op de bodem gelegd. Het was wel koud, echt lekker sliep ik niet. terwijl Wout prinsheerlijk in een zacht bed met warme dekens lag.
Een tweede vakantie gingen we kamperen in Mol, in België. Toen fungeerde mijn oudste zus met haar kinderen als chaperonne. Ik sliep apart van Wout, in de grote tent tussen de kinderen. Zo ging dat toen.
Uiteindelijk wilden we trouwen en gingen we op zoek naar een huis. Dat was in die tijd niet zo makkelijk. Wout kende iemand die de huur voor de gemeente ophaalde in een bepaalde wijk in Den Haag. Die man zei dat als er eentje vrijkwam, hij zou vragen of wij erin mochten. Toen dat gebeurde, zei hij dat we wel getrouwd moesten zijn om in aanmerking te komen, dus toen zijn we gelijk getrouwd.
Na die eerste stap moest Wout naar het gemeentehuis om toestemming te vragen om dat huis ook te kunnen betrekken. ‘Hoe durf je erom te komen vragen! Er zijn mensen met kleine kinderen die ook een huis nodig hebben’, zeiden ze op het gemeentehuis. Maar Wout vocht voor het huis. Ze wilden het hem wel geven, maar dan moest er een brief komen van de postdienst dat hij daar goed functioneerde en genoeg verdiende. Dat briefje heeft hij zelf getypt en er een grote stempel opgezet met een handtekening. Dat was in feite een beetje vervalst, maar hij kreeg het huis wel.
We zijn getrouwd in 1965, ik was drieëntwintig, Wout negenentwintig. We kregen drie kinderen in dat eerste huis aan de Hoefkade in Den Haag. We zaten helemaal bovenin: beneden was een sigarenzaak, daarboven woonde een oude vrouw, daarboven zaten wij. Niet de beste buurt en niet makkelijk met al die trappen en kleine kinderen. In 1970 zijn we naar Zoetermeer verhuisd.
Nu woon ik alweer tweeënhalf jaar in dit verzorgingstehuis, en Wout woont nog in ons eigen huis. Dat komt door mijn beroerte, thuis ging het niet meer. Dat vind ik heel erg, want ik mis hem zo. Ik ben zo verknocht aan hem.
’s Avonds na het eten gaat iedereen hier naar zijn eigen kamer, dan ben ik alleen en voel ik me gewoon verloren. Ik zeg wel eens tegen hem: ‘Kom ’s avonds nog even.’ Maar twee keer op een dag heen en weer is geen haalbare kaart meer voor hem. We moeten het ermee doen. Het is niet anders.

Thea (1937)

Wil je met me lopen? Zoetermeer
‘Ik bad: ‘’Heilige Antonius, ik wil nu wel eens de ware ontmoeten want ik heb al zoveel vriendjes gehad.’
Lees meer

Marga de Waard

Mijn naam is Marga de Waard en schrijven is mijn grote liefde. Sinds 2020 ben ik storyteller. Daarvoor werkte ik als sociaal werker, bij het COA, in de jeugdhulpverlening en bij de reclassering. Veel ontmoetingen en veel verhalen om door te geven.
En dat is wat ik nu doe, persoonlijke verhalen vastleggen om een gezicht te geven aan de mensen achter een maatschappelijke vraagstuk. Ik werk in opdracht én ontwikkel zelfstandig thematische projecten waarvoor ik fondsen werf. De verhalen bereiken het publiek via exposities, magazines en publicaties.