Van mijn moeder mochten mijn zus en ik op zaterdagavond alleen naar de soos van de katholieke jeugdvereniging. Maar wij dachten daar anders over. We zeiden dat we naar de soos gingen, maar we gingen naar de Lucky Star, een danszaal op het Leidseplein in Amsterdam.
Op een van die avonden zei mijn zus: ‘Lies, er zitten aan de bar twee jongens constant deze kant op te kijken.’ Ik keek en viel meteen voor die ene met een sikje. Precies op dat moment stond hij op en kwam hij naar ons toe. Maar ik stond óók net op om naar het toilet te gaan. Toen ik terugkwam was hij met mijn zus aan het dansen. Ik dacht, verdorie, maar het bleek dat hij alleen met haar was gaan dansen om zich een houding te geven toen ik opgestaan was. Hij vond me meteen leuk, net als ik hem.
Hij begon in het Engels tegen me te praten toen we gingen dansen omdat hij dacht dat ik een Amerikaans meisje was. Ik kom uit Suriname, maar in Amsterdam zag je toen nog nauwelijks mensen van kleur. In Amerika, waar hij als uitwisselingsstudent een tijdje had gestudeerd, was dat heel gewoon. Ik zei tegen hem: ‘Spreek je moedertaal.’
Mijn moeder scheidde van mijn vader toen ik een jaar of tien was. Ze vertrok naar Nederland, omdat ze wilde dat haar kinderen een goede opleiding kregen. In Suriname waren de opties beperkt. Ze kon ons, de vijf kinderen, niet allemaal tegelijk meenemen. Tot het onze beurt was, op mijn veertiende, zat ik, samen met mijn zusje, op kostschool bij de Surinaamse zusters.
Die kostschool was streng. Iedere dag moesten we naar de kerk, in de vastentijd zelfs twee keer per dag. We baden op onze knieën, er waren regels voor wat je at, wanneer je dat deed; echt alles was aan regels gebonden. Die periode was niet altijd even fijn, ook omdat ik natuurlijk mijn moeder miste. Maar op een bepaalde manier was ik er dankbaar voor; het maakte me vroeg volwassen, maar ik verlangde wel vurig naar vrijheid. Toen ik na vier jaar, in 1956, bij mijn moeder in Amsterdam aankwam, had ik een hoofd vol verhalen over wat ik allemaal had meegemaakt. Wat ze zei vergeet ik nooit: ‘Ben je soms doodgegaan?’ Ik stond meteen met beide benen op de grond. Ik heb er nooit een trauma aan overgehouden.
Mijn moeder was haar tijd ver vooruit. Ze vertrok, na de oorlog, zonder man naar een totaal ander land. Ze werkte hard en verdiende altijd haar eigen brood. Een van haar regels was dat haar dochters nooit afhankelijk moesten worden van een man, niet geestelijk en niet financieel. Dat heeft ze er echt bij ons ingepeperd. Ze leerde ons ook dat als een jongen je een drankje aanbood, je hem óók een drankje moest aanbieden. Zo kreeg je geen verplichtingen, geen afhankelijkheid. Zelfstandigheid en gelijkwaardigheid vond ze heel belangrijk.
Voor Arne had ik weleens een date maar niks serieus. Ik hield veel van mijn vrijheid na alle regels van de kostschool. Ik wilde ook pas op mijn dertigste trouwen, maar ja, dat heb je blijkbaar niet voor het zeggen. Met Arne had ik meteen een klik en dat was wederzijds. Net als wanneer je een huis koopt: je voelt gewoon wanneer het klopt.
Arne studeerde technische fysica aan de Technische Hogeschool, nu de TU in Delft. We zagen elkaar in de weekenden, gingen dan naar de Lucky Star. Na zes maanden nam ik hem mee naar huis. Mijn moeder had altijd wat aan te merken op potentiële vriendjes, maar met Arne was het anders. Het enige wat ze zei was: ‘Kom niet zwanger thuis.’ Seks voor het huwelijk mocht niet volgens mijn moeders norm, maar dat was niet mijn norm. Ik maakte mijn eigen keuzes.
Arnes ouders waren fanatieke socialisten. Mijn schoonmoeder heeft eens een nacht vastgezeten omdat ze pamfletten uitdeelde over Domela Nieuwenhuis; dat mocht blijkbaar niet. En ze waren van de blauwe knoop, al heb ik mijn schoonmoeder later nog wel eens op de bank zien zitten met een glaasje mierzoete cognacwijn. We hebben veel zondagen bij hen doorgebracht; dat werd van ons verwacht. Bij mijn moeder hoefde dat niet, die liet ons vrij.
Op zaterdagmiddag gingen we de stad in, naar de Provo’s kijken. Die deelden op het Spui rozijnen uit, of ze deden zeep in de fontein van Hotel Americain, waardoor er metershoge schuimbergen ontstonden. Dan kwam de politie te paard, want dat mocht allemaal niet. Het was een vrije, onbevangen tijd waarin een nieuwe tijdgeest heerste, ook politiek, met de oprichting van D66 door Van Mierlo.
We gingen ook vaak samen de natuur in; daar hielden we allebei veel van, en Arne beklom vanaf zijn achttiende al bergen. Een zomervakantie ging voor hem altijd richting Oostenrijk of Zwitserland. Ik had hoogtevrees, deed mijn best, maar mijn hobby werd het niet.
Arne vond mij leuk omdat ik niet altijd ja en amen zei, een eigen mening had. We lieten elkaar vrij en deelden hetzelfde gevoel voor humor; onze relatie was volstrekt gelijkwaardig.
Na drie jaar verkering trouwden we op 26 september 1968. Hij heeft me nooit formeel ten huwelijk gevraagd. Hij zei: ‘Lies, ze bouwen studentenflats en aan de kopse kant zijn appartementen voor gehuwden. Zal ik me inschrijven? Want als we er een krijgen, kunnen we trouwen.’
In 2022 is Arne, na drieënvijftig jaar huwelijk, op onze trouwdag overleden. Ik heb een fijn leven met hem gehad waarin ik mezelf op verschillende gebieden heb kunnen ontwikkelen. Ik heb een onafhankelijk en zelfstandig leven geleid met hem. Ik heb goed naar mijn moeder geluisterd en daar ben ik dankbaar voor.



