Rien (1932) En Hannie (1942)

Op zaterdagavond ging je met vriendinnen naar de Voorstreek, een straat die langs het kanaal liep in Nieuw Amsterdam. De meisjes liepen aan de ene kant, de jongens kwamen je vanaf de andere kant tegemoet. Beetje kijken, beetje praten. Op een van die zaterdagavonden raakte ik aan de praat met een jongen die allerlei leuke verhalen had. Hij was vier jaar ouder dan ik, werkte al, hij had een goeie brommer én had aandacht voor mij. Dat was ik van huis uit niet gewend. Ik had het niet fijn thuis. Hij mocht me thuisbrengen. Daarna spraken we nog een keer af en al gauw ging mijn vriendin niet meer mee. Zijn naam was Jan, ik was zestien, hij twintig.
Jan was een echte Drent. Lasser, metaalbewerker. Ik ben geboren in Haarlem en pas later met mijn ouders in Drenthe terechtgekomen door mijn vaders werk. Jan was een entertainer, hij kon een hele zaal aan het lachen krijgen met één opmerking. Een mooie bos haar had hij ook, en ik voelde me wel een beetje gestreeld omdat hij juist naar mij keek. Of het nou echte liefde was? Eerlijk gezegd weet ik het niet. Maar het klikte wel.
Op de brommer gingen we eropuit, naar Emmen, Coevorden, naar de bossen in de buurt,
maar ‘s avonds altijd om tien uur thuis. Mijn ouders vonden het niks dat ik met hem omging, want het was een echte Drent en hij was ook niet van de goede kerk. Maar ik trok me daar niks van aan.
Toen ik van school afkwam, in 1961, ging ik werken in het ziekenhuis in Emmen als assistente fysiotherapie en ging er intern. Eerst had ik, samen met twee andere meiden, een kamer in het ziekenhuis zelf. Daarna kreeg ik een kamer in het aangrenzende zusterhuis. Mannen mochten er niet in. Zelfs mijn vader mocht er niet komen kijken.
Je moest daar ook om tien uur ’s avonds binnen zijn, maar dat losten we met elkaar op. De diacones lette altijd op, maar als jouw kamerdeur dicht was, keek ze verder niet meer. De kamers waren op de begane grond en één van ons liet altijd haar raam open. Zo kon je ’s avonds laat naar binnen klimmen. Meestal lukte dat wel. Het was een leuke tijd. Op een gegeven moment was ik dat zat, en toen huurde ik een kamer voor mezelf. Dat was leuker omdat Jan dan ook gewoon bij me kon komen.
Mijn ouders waren inmiddels naar Wolvega verhuisd, mijn vader had ander werk gekregen. Ze eisten dat ik elk weekend naar huis kwam. Maar van Emmen naar Wolvega met het openbaar vervoer, dat was niet te doen. Ik heb het een paar maanden gedaan, maar het werd me te gek. Ik dacht: we moeten trouwen om overal vanaf te zijn. Maar als je wilde trouwen, had je tot je negenentwintigste toestemming van je ouders nodig. En ik wist: die geven ze nooit. Dus wat doe je dan? Zwanger worden, een keer proberen. Het was meteen raak.
De directrice van het ziekenhuis keek me aan en zei: ‘Zo, ben je zwanger? Dan ga je nu je spullen halen en dan kan je verdwijnen.’ Ik heb niet eens mijn schoenen van de afdeling kunnen halen. Maar mijn zwangerschapsuitkering heb ik wél gekregen, daar had ik recht op, dat wist ik.
Mijn ouders hadden zich erbij neergelegd. Ze eisten wel dat Jan lid van de kerk werd, en dat hij belijdenis deed, de hele rataplan. Jan ging voor mij mee, maar geloven? Zijn vader was een echte socialist.
In januari 1965 zijn we getrouwd. Eind juli is mijn oudste zoon geboren. In 1968 mijn tweede zoon. We woonden op een kamer met een keuken annex badkamer en toilet, met een laddertje naar een slaapplek op zolder. Een maand na ons trouwen bleek Jan zwaar depressief. Dat had ik nooit eerder gemerkt. Als we buiten liepen, durfde hij niet op de stoeprand te lopen. Hij was bang dat hij op straat zou vallen en dat ze hem wat zouden aandoen. Ik had geen idee wat het was. Maar ik dacht: het gaat wel over, maar het ging niet over. Op een gegeven moment is Jan opgenomen in de psychiatrie in Groningen. Maar ook dat hielp niet. Steeds als het fout ging met hem, werd er gezegd: misschien helpt een verandering van omgeving. Dus verhuisden we steeds maar weer. Drieëndertig keer in totaal.
In 1997 ben ik uiteindelijk gescheiden. Vijfendertig jaar heb ik het volgehouden, maar het ging gewoon niet meer. Ik had het zelf ook moeilijk. In 1988 verongelukte onze jongste zoon. Hij werd van zijn brommer gereden door een dronken automobilist.
Jan liet me na de scheiding niet met rust. Hij heeft me jaren gestalkt, dus verhuisde ik steeds. Op een bepaald moment wilde ik er even uit, ergens naartoe waar hij me niet kon volgen. Ik boekte een vakantie naar Mallorca. Jan vloog niet, dus dat was veilig. En totaal onverwacht vond ik tijdens die reis de liefde.
In het vliegtuig was een bepaalde man me al opgevallen. Toen ik ’s avonds naar het zwembad ging, zag ik hem aan een tafeltje zitten, alleen. Ik vroeg of ik erbij mocht zitten. Dat was het begin van onze relatie. We zijn na die vakantie nooit meer uit elkaar geweest. We hebben vierentwintig jaar in hetzelfde huis gewoond in Breda. Nu wonen we sinds 2023 in Zoetermeer, dichter bij zijn kinderen.
Ik heb bij Rien het geluk gevonden. Eindelijk had ik een man die er voor mij was en nog steeds is. Dat was ook wel even iets anders dan ik gewend was. Maar ik prijs me gelukkig dat we hier nog steeds samen zitten.

Wout (1936) en Loes (1942)

Wil je met me lopen? Zoetermeer
‘Die tante bleek niet genoeg bedden te hebben, maar samen slapen mocht natuurlijk niet. Ik heb toen in de badkuip…
Lees meer

Marga de Waard

Mijn naam is Marga de Waard en schrijven is mijn grote liefde. Sinds 2020 ben ik storyteller. Daarvoor werkte ik als sociaal werker, bij het COA, in de jeugdhulpverlening en bij de reclassering. Veel ontmoetingen en veel verhalen om door te geven.
En dat is wat ik nu doe, persoonlijke verhalen vastleggen om een gezicht te geven aan de mensen achter een maatschappelijke vraagstuk. Ik werk in opdracht én ontwikkel zelfstandig thematische projecten waarvoor ik fondsen werf. De verhalen bereiken het publiek via exposities, magazines en publicaties.